| |
Ontwikkeling van de vestingbouw
in Nederland
index:
Kastelen en steden
Oud-Nederlands stelsel
Water ter verdediging
Menno van Coehoorn
Barrièrre in de Zuidelijke Nederlanden
Nieuwe linies
Nieuwe Hollandse Waterlinie [NHW]
De linies in Noord-Brabant
Geconcentreerde verdediging - Vestingwet
Verdere verbeteringen van de NHW
Sperforten en pantserfort
Stelling van Amsterdam
Interbellum
Duitse verdedigingswerken
Drijvende stuwen
Beveiligde onderkomens
Literatuur
Kastelen en steden
In de Middeleeuwen maakten feodale machthebbers de dienst uit. Zij oefenden
hun macht uit vanuit versterkte huizen, die doorgaans kastelen worden
genoemd.
Door de bloei van de economie nam vanaf de elfde eeuw het aantal handelsnederzettingen
sterk toe. Om de welvaart te stimuleren en daarmee meer belastinginkomsten
te genereren verleenden de feodale machthebbers de bewoners van deze nederzettingen
stadsrecht. Daartoe behoorde meestal ook het privilege om de nederzetting
te omringen met een omwalling en een gracht. Dankzij deze versterkingen
fungeerden deze steden voortaan tevens als militair steunpunt. Net als
bij de kastelen bestonden hun fortificaties uit hoge en metersdikke stenen
muren, poorten en torens. Als zodanig bleken zij goed bestand tegen conventionele
belegeringswerktuigen zoals blijden
en stormrammen.
|
Maastricht, rondeel Haet
ende Nijt |
De uitvinding van het buskruit en de ontwikkeling van
het kanon brachten
vanaf de veertiende eeuw een belangrijke kentering te weeg. Door de introductie
van metalen kogels en de productie van gegoten voorladers werden de muren
ineens erg kwetsbaar. Daarom werden deze vanaf de vijftiende eeuw verlaagd
en aan de binnenzijde met aarde versterkt. Ook de
torens werden lager en geschikt gemaakt om bovenop geschut te plaatsen.
In nieuw ontworpen torens (bolwerken)
kwamen kanonkelders (kazematten)
van waaruit men de vijand op korte afstand kon bestoken. De Maastrichtse
rondelen Haet ende Nijt en De Vijf Koppen zijn daarvan nog bestaande
voorbeelden.
Problematisch waren de dode hoeken tussen de torens
en de muren. Om hieraan het hoofd te bieden ontwikkelden de Italianen
het bastion. Zij
introduceerden dat ook in de Nederlanden (zestiende eeuw). De bastions
Zonnenburg en Manenburg te Utrecht zijn volgens dit Italiaanse stelsel
aangelegd. Het Fort Rammekens (bij Vlissingen) is in Nederland het oudste
nog bestaande complete voorbeeld.
terug naar index
 |
Fort Rammekens |
Oud-Nederlandse stelsel
De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) bracht in onze contreien op vestingbouwkundig
gebied grote veranderingen met zich mee. Voor een complete modernisering
volgens het Italiaanse stelsel waren onvoldoende financiële middelen
beschikbaar en tevens ontbrak de tijd voor de tijdrovende bouwwijze. Men
koos voor een typisch Nederlandse oplossing: het gebruik van aarde die
goedkoop en voldoende aanwezig was. Het kenmerk van dit stelsel is het
gebruik van aarde en brede waterhindernissen (grachten). Van het Italiaanse
stelsel nam men het bastion over, dat geheel open is en ruimer van opzet.
De eerste vestingbouwers van naam in de Noordelijke Nederlanden waren
Adriaan Anthoniszoon, Jacob Kemp, David van Orliens en Johan van Rijswijck.
Op hun aanwijzingen zijn in de provincies die zich tegen de Spanjaarden
verzetten, tal van steden versterkt en schansen aangelegd.
De uit Vlaanderen afkomstige Simon Stevin (1548-1620) was een geleerde
die in dienst stond van prins Maurits. Hij gaf aan het in de praktijk
ontwikkelde Oud-Nederlandse
stelsel een theoretische basis en legde de principes ervan op schrift
vast.
terug naar index
 |
De vesting Heusden is een
voorbeeld van het Oud-Nederlands stelsel |
Water ter verdediging
Nederland is gewend zich tegen het water te verdedigen. Maar in tijd van
oorlog werd het water vaak gebruikt als bondgenoot, al boekte men er niet
altijd succes mee. Voorbeelden van belegeringen waarbij inundaties werden
gesteld zijn: het beleg van Alkmaar (1573), Woerden (1575-1576), Zierikzee
(1576), Terneuzen (1584), Antwerpen (1584) en Axel (1586). Zo werd bij
het ontzet van Leiden (1574) het water benut om de belegeraars te dwingen
het beleg op te breken.
Nadat de provincies Holland, Zeeland en Friesland vrijwel geheel in Staatse
handen waren gekomen, verplaatste de strijd tegen de Spaanse troepen zich
naar de andere gewesten. Zonodig werden ter bescherming van gebieden ook
hier dijken doorgestoken, zodat polders onder water kwamen te staan. Op
de dijken langs de geïnundeerde polders werden schansen
en redoutes aangelegd
om het achterliggende land te verdedigen tegen een eventuele aanval. Zo
ontstonden de eerste linies. Vooral in Staats-Vlaanderen (nu: Zeeuws-Vlaanderen),
dat gedurende de hele Tachtigjarige Oorlog frontgebied was, is deze methode
door beide partijen toegepast. Een stelsel van linies, die nu worden aangeduid
als de Staatse en Spaanse linies, is daardoor ontstaan.
Tot de oudere linies behoren ook de Linie van Bergen
op Zoom naar Steenbergen , de moerasgebieden langs de oost- en zuidgrens
van Friesland (de Friese Linie), en de moerasgebieden langs de
oostgrens van Groningen en Drenthe doorlopend langs de Overijsselsche
Vecht tot Hasselt.
 |
Bourtange |
De moerassen vormden door hun ligging natuurlijke verdedigingsgordels
voor de noordelijke provincies. De enkele accessen
(= doorgangen) door de moerasgebieden werden afgesloten door vestingen
(Bourtange en Coevorden) en schansen (o.a. Oude- en Nieuweschans). Wel
was het van belang dat de moerassen vochtig bleven. Hiertoe werden aan
het einde van de zeventiende eeuw pogingen ondernomen om te voorkomen
dat uitdroging plaatsvond. De ontwatering kon echter niet worden tegengehouden
en mede door de veenwinning in de achttiende en negentiende eeuw kwam
de waarde van deze linies te vervallen.
Andere kwetsbare plaatsen, waaronder de doorwaadbare plaatsen in de (Gelderse)
IJssel, werden gecontroleerd vanuit redoutes, die dienden als wachthuizen.
Zo kon er, bij een vijandelijke oversteek over de rivier, snel alarm worden
geslagen en troepen worden samengetrokken.
terug naar index
Menno van Coehoorn (1641-1704)
Na afloop van de Tachtigjarige Oorlog besteedde men weinig aandacht meer
aan de vestingwerken en schansen; deze raakten in verval.
Toen in 1672 de Republiek min of meer overrompeld werd door de Franse
troepen, kon het gewest Holland door een snelle inundatie
van het oostelijk grensgebied een bezetting voorkomen. Evenzo wist Friesland
een bezetting door Keulse en Munsterse troepen te verhinderen.
De in Holland uitgevoerde onderwaterzettingen waren aanvankelijk min of
meer provisorisch. De aldus ontstane linie tussen Muiden en Gorinchem
en in het Land van Heusden kreeg de naam Hollandse waterlinie.
N.B.: Vanaf 1673 kreeg de linie een meer duurzaam
karakter. Vervolgens vond in de zeventiende en achttiende eeuw een verschuiving
in oostelijke richting plaats. Nadat in de negentiende eeuw de toen
ontstane Utrechtse linie geleidelijk de naam Nieuwe Hollandse
Waterlinie kreeg, werd de linie van 1672 voortaan aangeduid als de Oude
Hollandse Waterlinie.
Bij de door de Franse troepen uitgevoerde belegeringen
van onder andere Maastricht (1673), bleek duidelijk dat het Oud-Nederlandse
stelsel niet meer voldeed. De eerste verbeteringen die werden aangebracht
waren gebaseerd op eigen ervaringen en op elementen uit een in Frankrijk
ontwikkelde stelsel. Deze verbeteringen kregen toepassing in de vesting
Naarden, die tussen 1676 en 1685 grondig werd vernieuwd. Tot de Franse
elementen behoorde de toepassing van gebogen flanken
in de bastions.
 |
Naarden, Bastion Turfpoort |
Op grond van zijn ervaringen bij belegeringen en na het
Franse stelsel te hebben bestudeerd, komt Menno van Coehoorn met een nieuwe
methode, die als het Nieuw-Nederlandse
stelsel wordt aangeduid. Kenmerken hiervan zijn onder andere grote
bastions en courtines die tot een minimum zijn gereduceerd. Elk onderdeel
van de vesting is zelfstandig te verdedigen. De belegeraar krijgt geen
kans om zich in het voorterrein te handhaven. Coehoorn legde zijn ideeën
vast in ‘Nieuwe Vestingbouw, op een lage of natte horisont’.
N.B. lees ook: Menno van
Coehoorn: een historische schets.
Toen omstreeks 1700 de dreiging van een nieuwe oorlog
met Frankrijk toenam, kreeg Coehoorn van de Raad van State opdracht de
verdedigingswerken in de grensgebieden te inspecteren. Op grond van zijn
bevindingen deed hij voorstellen ter verbetering van de mogelijkheden
tot verdediging van een aantal vestingen.
Coehoorn streefde er naar de grenzen – de frontieren
– af te sluiten met een stelsel van vestingen en linies en daarbij
zo veel mogelijk gebruik te maken van de natuurlijke omstandigheden. Dit
laatste hield in dat de moerassen vochtig moesten blijven en waar mogelijk
gebieden moesten worden geïnundeerd. Waar inundatie niet mogelijk
was, zouden werken moeten worden aangelegd om gebieden af te sluiten.
Vele van zijn voorstellen kwamen – sommige pas na zijn dood –
tot uitvoering. Tot de vestingen die ingrijpende verbetering ondergingen
behoorden Bergen op Zoom (waarmee al in 1698 werd begonnen), Doesburg,
Nijmegen, Sas van Gent en Sluis. Van de aangelegde werken die gebieden
afsloten, kunnen worden genoemd de Linie van Helpman, Linie
van Den Hout, Linie van de Munnikenhof en het Retranchement
tussen Waal en Neder-Rijn, waaruit enige jaren later het Pannerdensch
Kanaal ontstond.
Niet onvermeld mag blijven Coehoorns voorstel tot afdamming van de (Gelderse)
IJssel om door inundatie van aangrenzende gebieden de verdedigende waarde
van deze rivier te vergroten. Zijn idee vond pas enkele eeuwen later toepassing
toen omstreeks 1950 een Rijn-IJssellinie werd aangelegd, die
bekend werd onder de naam ‘De Plannen C(oehoorn) en D(eventer)’.
Deze linie werd in 1964 weer opgeheven.
terug naar index
Barrière in de Zuidelijke
Nederlanden
.jpg) |
Maastricht, Fort Sint-Pieter |
Gedurende de achttiende eeuw vormden de (Spaanse) Zuidelijke Nederlanden
(ongeveer het huidige België) een buffer tussen de Republiek en Frankrijk.
In de verwachting daardoor Frankrijk buiten de deur te houden, kreeg de
Republiek toestemming om in een aantal Zuid-Nederlandse vestingen troepen
te legeren.
De vestingen en linies in de Republiek kregen na de definitieve vrede met
Frankrijk (1713) aanvankelijk weinig aandacht. Later kwam hier een kentering
in en werd er zo hier en daar het nodige verbeterd. Als voorbeelden kunnen
worden genoemd het voltooien van de vesting Bergen op Zoom, de verbetering
van de vesting Maastricht, de afdamming van de monding van beken bij de
IJsselsteden om inundaties mogelijk te maken en de aanleg van de Grebbelinie.
terug naar index
Nieuwe linies
Als uitvloeisel van de revolutie van 1789 probeerden de Fransen met hun
legers de gevestigde machten ook in de naburige landen te verdrijven.
In 1795 lukte dit in Nederland en ontstond de Bataafse Republiek, die
een bondgenoot werd van Frankrijk. Groot-Brittannië, dat nauw verbonden
was met Hannover, bleef na dat jaar nog geruime tijd in oorlog met Frankrijk
en haar bondgenoten. De Bataafse Republiek was hierdoor genoodzaakt aandacht
te schenken aan de verdediging van haar oostgrens. Dit leidde tot de Linie
van de Eems. In 1796-1800 werd de Linie Ochten – De Spees
aangelegd.
In 1799 landde een Engels invasieleger op de kust bij
Callantsoog en kwamen bij Den Helder ook Russische troepen aan wal. Dit
geallieerde leger trachtte naar Amsterdam op te rukken, maar als gevolg
van fouten in de bevelvoering en een snelle reactie van Bataafs-Franse
zijde werden de Russische troepen bij Castricum verslagen. Met de aanleg
van een geïmproviseerde linie tussen Monnikendam en Beverwijk kon
een verdere opmars naar Amsterdam worden voorkomen.
In 1800 kreeg de toenmalige luitenant-kolonel Krayenhoff * de opdracht
deze linie te verbeteren en tussen Beverwijk en de Noordzee verdedigingswerken
aan te leggen, waardoor de Linie van Beverwijk ontstond. Tussen
1805 en 1811 werd Amsterdam omgeven met verscheidene batterijen, die aangeduid
werden als de ‘Posten van Krayenhoff’.
In de zeventiende en de achttiende eeuw waren bij Den Helder kustbatterijen
aangelegd en regelmatig verbeterd, maar een landfront ontbrak. Hierdoor
konden de Engelse troepen na de landing bij Callantsoog in korte tijd
ook Den Helder bezetten. Na het vertrek van de Engelse en Russische troepen
werden aan de landzijde enkele kleine werken aangelegd, maar na de inlijving
van Nederland bij Frankrijk in 1810, gaf keizer Napoleon opdracht om de
marinebasis Den Helder aan de landzijde te beschermen met een ring van
fortificaties, later aangeduid als de Stelling van Den Helder.
* lees ook: C.R.T.
baron Krayenhoff
terug naar index
Nieuwe Hollandse Waterlinie
[NHW]
Reeds in de tijd van de Bataafse Republiek had Krayenhoff voorgesteld
de stad Utrecht binnen de Hollandse Waterlinie te brengen. Ook aan Napoleon
deed hij bij diens bezoek aan Nederland in 1811 dit voorstel. Weliswaar
werd toen een commissie ingesteld om dit nader te bestuderen, maar tot
daadwerkelijke maatregelen leidde dit niet. Krayenhoff, inmiddels benoemd
tot Inspecteur-generaal der Fortificatiën, wist echter koning Willem
I te overtuigen en deze gaf in 1815 opdracht Utrecht binnen de linie te
brengen. ***
Tussen 1816 en 1824 werden aan de noord- en de oostzijde van de stad zes
forten en vier lunetten
gebouwd. Tegelijkertijd werden in de linie ten zuiden van de Lek vijf
inundatiesluizen,
van het type waaiersluis,
gebouwd onder leiding van de Inspecteur-generaal van Rijkswaterstaat J.
Blanken.
In de jaren 1825 tot 1840 lagen de werkzaamheden stil, eerst omdat de
vestingbouw in de zuidelijke Nederlanden alle aandacht en financiële
middelen vergden en in de jaren 1830-1839 vanwege de kosten verbonden
aan de mobilisatie als gevolg van de Belgische Afscheiding.
In 1839 erkende de koning een zelfstandig België en was Nederland
een kleine natie geworden tussen de Europese grootmachten. Hierdoor was
het land kwetsbaarder en moest behoedzaam worden gemanoeuvreerd. Bovendien
ontbrak het geld voor grote uitgaven op het gebied van de defensie. De
aanleg en verbetering van de NHW kon daarom slechts stapsgewijs plaatsvinden.
Een aantal forten kreeg een bomvrij gemetseld stenen wachthuis of reduit
voor het onderbrengen van alle kwetsbare functies (behalve legering).
Op negen forten hadden deze gebouwen de vorm van een gemetselde ronde
toren met een plat dak voor het opstellen van geschut.
 |
|
Fort Everdingen,
de toren (links) wordt gedekt door een contrescarpgalerij (rechts)
|
Juist toen deze torenforten
omstreeks 1860 gereed waren, kwam geschut met getrokken loop in de bewapening.
Hierdoor werd de dracht groter en het schot trefzekerder. Daartegen was
het metselwerk niet bestand. De torens werden verlaagd en aan ‘vijands
zijde’ beschermd door een aarden wal. Ook de wachthuizen op de andere
forten kregen een dergelijke bescherming. In de wallen bouwde men kleinere
bomvrije gebouwen. Door de grotere dracht van het geschut, lagen de forten
rond Utrecht nu te dicht bij de stad. Om de vijand op voldoende afstand
te kunnen houden, werden in 1867-1870 vier nieuwe forten op grotere afstand
van de stad gebouwd.
*** lees ook: C.T.R.
Kraijenhoff en de genese van de Nieuwe Hollandse Waterlinie
terug naar index
De linies in Noord-Brabant
De afscheiding van België (1839) dwong tot het min of meer herstellen
van de keten van vroegere stellingen en kleinere linies door Noord-Brabant.
Na 1840 liepen de linies in Noord-Brabant van Grave, via ’s Hertogenbosch,
Heusden, Geertruidenberg naar Willemstad. Ook werd in de jaren 1844 tot
1848 de Stelling Vught ingericht bestaande uit acht lunetten.
terug naar index
Geconcentreerde verdediging
– Vestingwet
Langzamerhand werd duidelijk dat het handhaven van alle vestingen en linies
een te zware financiële last zou worden. Jarenlang debatteerden de
Staten-Generaal en de minister van Oorlog over de wijze waarop de verdediging
van Nederland zou moeten worden ingericht. De wijziging van de militaire
verhoudingen die zich in de jaren zestig van de negentiende eeuw aftekende
en waarbij Pruisen en later het Duitse keizerrijk de potentiële bedreigers
van de Nederlandse onafhankelijkheid werden gezien, maakte dat gekozen
werd voor een geconcentreerde verdediging met front oost.
In 1874 werd een Vestingwet van kracht, waarbij de meeste linies en vestingen
werden opgeheven en slechts een achttal linies en stellingen en enkele
zelfstandige forten gehandhaafd bleven. De verdediging zou zich concentreren
op Holland, terwijl bovendien – in navolging van andere landen –
ook een nationaal
reduit zou worden gemaakt. Aan de werken die daarmee verband hielden
werd prioriteit gegeven. Het betroffen de Nieuwe Hollandse Waterlinie,
de Stelling van Amsterdam dat als nationaal reduit zou moeten
fungeren, de Stelling van Den Helder, de Stelling van ’t Hollandsch
Diep en het Volkerak en de Stelling van de monden der Maas en
van het Haringvliet. De overige in de wet vermelde linies, waaronder
de Grebbelinie, bleven voorlopig bestaan, maar omdat er vrijwel geen onderhoud
meer werd uitgevoerd vervielen deze in feite.
terug naar index
Verdere verbeteringen
van de NHW
Op grond van de prioriteit die was vastgelegd in de Vestingwet van 1874
werden de forten in de NHW tussen 1877 en 1880 verder verbeterd met de
bouw van bomvrije gebouwen en van remises waarin het geschut werd beschermd
tijdens vijandelijke artillerievuur. Ook kwamen op de wallen traversen,
om de uitwerking van vijandelijk vuur te beperken. Bovendien werden in
deze periode de inundatievelden breder. In 1866 en 1875 waren al maatregelen
genomen om de tijd nodig voor het stellen van de inundaties te verkorten.
Formeel waren de werken tot voltooiing van de NHW – zoals aangekondigd
in de Vestingwet – in 1885 gereed.
De rond 1885 ingevoerde brisantgranaat
maakte op slag de forten – ook de nieuwe – zeer kwetsbaar.
Voortaan diende het geschut
niet op, maar tussen de forten te worden opgesteld in lage, gedekt aangelegde
geschutbatterijen. De forten fungeerden daarna voornamelijk als basis
voor de infanterie.
De NHW telde ongeveer 65 forten en vestingen. Om de 85 km lange, 5 km
brede strook tussen de Zuiderzee en de Biesbosch, 30 – 60 cm onder
water te kunnen zetten, was het gebied verdeeld in negen inundatiekommen
en waren talrijke waterstaatkundige voorzieningen nodig, waaronder inundatiesluizen.
terug naar index
Sperforten en pantserfort
 |
|
Fort Pannerden |
Voor het beheersen van een belangrijke overgang over de
IJssel verrees bij Westervoort een sperfort
(1866) en bij de splitsing van de Rijn het sperfort Pannerden (1871).
Voor het afsluiten van de in 1872 gereedgekomen Nieuwe Waterweg, werd
bij Hoek van Holland een pantserfort
gebouwd. Het imposante bouwwerk is opgetrokken uit metselwerk en (het
toen nog nieuwe) ongewapende beton.
terug naar index
Stelling van Amsterdam
Nadat de NHW was voltooid, kwamen financiële middelen vrij voor de
aanleg van deze stelling. Wel was reeds eerder (1880-1886) begonnen met
de bouw van een kustfort
bij IJmuiden en met de bouw van het fort Abcoude (1883-1885). Dit in verband
met het gereedkomen van het Noordzeekanaal en het kunnen afsluiten van
het acces dat de
spoorlijn Utrecht naar Amsterdam vormde.
 |
|
Fort Pampus |
De feitelijke aanleg van de stelling vond plaats vanaf
de jaren 1885. Maar omdat in die tijd de brisantgranaat in gebruik kwam,
werden de werkzaamheden tijdelijk stopgezet teneinde na te gaan wat de
uitwerking ervan was op forten. De aardlichamen die op verschillende plaatsen
waren opgeworpen, bleven enkele jaren liggen. De bouw van het fort Pampus
(1887-1895) werd wel voortgezet.
Na proefnemingen met onder andere beschietingen van ongewapende betonconstructies
kon, onder wijziging van het ontwerp van de forten, in 1897 de aanleg
worden voortgezet. Gekozen werd voor een standaardmodel, dat na 1907 werd
gewijzigd. Per fort werden de nodige aanpassingen doorgevoerd. De gebouwen
kregen een langgerekte vorm en hadden een laag profiel. Het geschut werd
voor een deel ondergebracht in gepantserde hefkoepels.
De aanleg van de stelling duurde tot 1914.
 |
Fort bij Spijkerboor (keelzijde) |
De reduitfunctie hield in een ring van ruim 30 forten
op een afstand van 10 tot 15 km van de bebouwing van Amsterdam, met een
omtrek van 135 km en gedekt door inundaties. Binnen de ring waren de nodige
(logistieke) voorzieningen getroffen om de daarin aanwezige bevolking
en de militaire bezetting de mogelijkheid te geven een beleg van minimaal
zes maanden te kunnen volhouden.
terug naar index
Interbellum
De Eerste Wereldoorlog leerde de betekenis van de mitrailleur, waarmee
een gesloten vuurfront voor een stelling kon worden gelegd. Voor een doorbreking
waren langdurige zware artilleriebeschietingen nodig; desondanks leed
de aanvaller grote verliezen. Gebleken was ook dat grote verdedigingswerken
zeer kwetsbaar waren voor het zware artilleriegeschut. Tevens kreeg men
in deze oorlog voor het eerst te maken met tanks en andere gepantserde
voertuigen.
Nederland – dat tijdens de oorlog neutraal bleef – trachtte
van beide partijen die met elkaar in oorlog waren geweest, kennis te nemen
van de opgedane ervaringen en de ideeën over de toekomstige oorlogvoering.
De hierop gebaseerde Nederlandse militaire voorschriften richtten zich
voor de verdedigingswerken met een 'permanent karakter' op kleine betonnen
versterkingen. Deze zouden een sterkte krijgen die afhankelijk was van
de verwachte zwaarte (kaliber) van de vijandelijke artillerie. Deze versterkingen
konden dienen als schuilplaats voor de militairen tijdens de artilleriebeschietingen
of als wapenopstelplaats voor de bestrijding van de aanvaller. In het
laatste geval sprak men van kazematten.
Op basis van de ervaringen uit de Eerste Wereldoorlog bestond het voornemen
in de kazematten mitrailleurs en antitankgeschut op te stellen.
Tot geruime tijd na de Eerste Wereldoorlog was in ons
land de bereidheid gering om in de bouw van permanente verdedigingswerken
te investeren.
In 1922 werd de Grebbelinie formeel opgeheven en de Nieuwe Hollandse Waterlinie
ging, samen met delen van de Stelling van Amsterdam en van de andere stellingen,
deel uitmaken van de Vesting Holland. De NHW vormde het Oostfront
van deze ‘vesting’.
 |
Kornwerderzand, kazemat IV |
De aanleg van nieuwe civiele infrastructuur in deze jaren bood echter mogelijkheden
toch enkele verbeteringen aan te brengen. Omdat bij de aanleg van nieuwe
wegen en spoorwegen de bestaande linies werden doorbroken, kon de veroorzaker
(Rijkswaterstaat, de Nederlandse Spoorwegen en andere instanties) hierop
worden aangesproken en worden verplicht tot compensatie. Dit leidde tot
de bouw van zware betonnen mitrailleur- en kanonkazematten in onder andere
het Oostfront van de Vesting Holland, maar ook aan de Afsluitdijk.
De aanleg van dit laatste werk (1927-’32) leverde een groot acces
op tot zowel de Stelling van Den Helder als tot het Noordfront van de Vesting
Holland. Ter afsluiting van dit acces werden op kosten van Rijkswaterstaat
ingericht de Stelling bij het Kornwerderzand en de Stelling
bij Den Oever met 16, respectievelijk 13 zware betonnen kazematten.
Eerst nadat in Duitsland de nationaal-socialisten aan
het bewind waren gekomen en geleidelijk een oorlogsdreiging zichtbaar
werd, ontstond er – ook in Nederland – weer de bereidheid
te investeren in de krijgsmacht. Dit heeft onder andere geleid tot de
aanleg van kazematten bij de belangrijke overgangen over rivieren en kanalen
(de rivierkazematten)
en de bouw van lichte kazematten langs nieuw in te richten linies langs
de Maas, Maas-Waalkanaal, Betuwe, IJssel en de grens in de noordelijke
provincies. Voorts in een nieuwe Peel-Raamstelling en in de opnieuw
in gebruik genomen Grebbelinie (nu Valleistelling genoemd) met de tussengelegen
gebieden. In de fronten van de Vesting Holland kwamen zowel lichte als
zwaardere kazematten.
In totaal zijn in enkele jaren meer dan 2000 betonnen en gietstalen
kazematten en ongeveer 700 betonnen groepsschuilplaatsen
(bekend als piramides)
tot stand gekomen. De meeste zijn in de loop der jaren gesloopt.
|
Groepsschuilplaatsen type 1918 (voorgrond)
en uit 1939-'40, ook wel piramides genoemd (achtergrond) |
terug naar index
Duitse verdedigingswerken
Nadat in de maanden april tot juni 1940 de gehele Atlantische kust van
de Noordkaap tot de Frans-Spaanse grens in Duitse handen was gekomen en
vervolgens een invasie van Groot-Brittannië werd afgelast, gaf Hitler
de opdracht aan de Duitse strijdkrachten zich voor te bereiden op een
aanval tegen de Sovjet-Unie. Hierdoor werden vrijwel alle gevechtstroepen
verplaatst naar het oosten en moesten langs de Atlantische kust verdedigende
maatregelen worden genomen. Deze bestonden aanvankelijk uit geschutsopstellingen
ter verdediging van belangrijke haveninstallaties.
Het waren vooral de aanval van de Britten op Saint-Nazaire en die van
de Canadezen op Dieppe in het voorjaar een de zomer van 1942, die Hitler
er toebrachten opdracht te geven een Atlantikwall te
bouwen. Deze bestond uit een keten van (van klein naar groot) Widerstandsnester
[W.N.], Stützpunkte [Stp.], elk bestaande uit meerdere W.N., Stützpunktgruppen
[Stp.Gr.] en Verteidigungsbereiche [V.B.]. De Stützpunkt-gruppen
en Verteidigungsbereiche hadden een zee- en landfront. Het landfront bestond
uit een tankgracht
of betonnen tankmuren,
aangevuld met drakentandversperringen
en andere hindernissen.
Nederland telde 17 Stützpunktgruppen. De zeehavens Den Helder, IJmuiden,
Hoek van Holland en Vlissingen waren aangewezen als Verteidigungsbereiche.
In 1944 werden IJmuiden en Hoek van Holland zelfs verheven tot Festung
terwijl Vlissingen werd opgenomen in de Festung Walcheren. De kustverdediging
was gebaseerd op kustbatterijen en luchtdoelbatterijen.
Omvangrijke bouwprogramma’s leverden grote aantallen zware betonnen
bunkers op voor
gevechtsopstellingen voor de infanterie en artillerie, munitieopslag,
manschappen-onderkomens, commandovoering, radarstations en verbindingen.
Bij de vliegvelden en ook elders in het binnenland verrezen tal van bunkers
en andere betonwerken, die dienst deden als commandopost, radarstation,
verbindingcentrum, opstelplatform voor luchtdoelgeschut en dergelijke.
 |
|
Duitse geschutbunker (R 671)
op het kustfort bij IJmuiden |
Achter de Atlantikwall richtten de Duitsers in 1943 en
1944 nog twee verdedigingslijnen in, die versterkt werden met inundaties.
Deze linies, de Vordere en de Hintere Wasserlinie, bestonden
voornamelijk uit veldwerken
met slechts op enkele plaatsen een licht betonnen werk.
Eind 1944 en begin 1945 werd in de Gelderse Vallei de Pantherstellung
ingericht. Ook kwam er in deze periode langs de (Gelderse) IJssel, de
Drentse Hoofdvaart en het Eemskanaal een stelling die voornamelijk uit
veldwerken bestond.
In totaal werden in opdracht van de Duitse bezetters in Nederland meer
dan 20.000 betonnen werken gebouwd. Het merendeel is inmiddels gesloopt.
terug naar index
Drijvende stuwen
Vrij snel na de Tweede Wereldoorlog ontstond in West-Europa de vrees voor
een aanval van de Sovjet-Unie. Dit leidde in 1949 tot de oprichting van
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie [NAVO] waaraan ook Nederland
deelnam.
Aanvankelijk voorzag het bondgenootschappelijk verdedigingsplan in een
verdediging langs de Rijn, van Zwitserland tot aan de Noordzee. Dit betekende
dat Nederland boven de grote rivieren zou worden prijsgegeven. Omdat dit
onaanvaardbaar was, stemde de Nederlandse regering in met een plan om
de IJssel als inundatierivier te gaan gebruiken en aanvaardde de consequentie
dat het noordoosten van ons land onbeschermd zou blijven.
Drie invaarbare stuwen in de Waal (bij Nijmegen), Rijn (bij Arnhem) en
IJssel (bij Olst) moesten het water in de IJssel opstuwen zodat grote
delen van het gebied langs de Nederrijn en IJssel onder water zouden komen
te staan.
De omvangrijke werken, bestaande uit drijvende stuwen, stuwcomplexen met
verdedigingswerken, inlaatsluizen en tal van waterstaatkundige voorzieningen
werden in 1951-’52 in het diepste geheim gerealiseerd. In 1964 werd
de Rijn-IJssellinie (ook: Plannen C en D) opgeheven.
N.B. lees ook: Rijn-IJssellinie
(plannen C en D)
terug naar index
Beveiligde onderkomens
Tijdens de Koude Oorlog bestond de dreiging van een atoomoorlog. Voor
de ‘vestingbouw’ betekende dit dat de meest essentiële
functie voor commandovoering en verbindingen moesten worden ondergebracht
in (ondergrondse) zware betonnen ‘bunkers’ met een beveiliging
tegen een ‘electromagnetic pulse’ [EMP].
Ten behoeve van het Amerikaanse leger werden op een aantal locaties in
Nederland speciale opslagruimten voor atoomwapens en hangars gebouwd en
ingericht.
terug naar index
Literatuur
* Atlas van historische vestingwerken in Nederland. 9 dln. ‘s
Gravenhage/Utrecht: Stichting Menno van Coehoorn, 1956-2004.
* Beekmans, J.R. e.a., Drijvende stuwen voor de landsverdediging.
Een geschiedenis van de IJsselinie. Utrecht 1997.
* Brand, H. en J. Brand, red., De Hollandse Waterlinie. 3e dr.
Utrecht/Antwerpen, 1988.
* Heuvel, Ch. Van den, ‘Papiere bolwecken’. De introductie
van de Italiaanse stede- en vestingbouw in de Nederlanden (1540-1609)
en het gebruik van tekeningen. Alphen aan den Rijn, 1991.
* Hoof, J.P.C.M. van, Menno van Coehoorn, vestingbouwer ~ belegeraar
~ infanterist. Den Haag 2004.
* Hoof, J.P.C.M. van, Langs wal en bastion. Hoogtepunten uit de Nederlandse
vestingbouw. Utrecht, 1992.
* Kamps, P.J.M. e.a., Terminologie verdedigingswerken, inrichting,
aanval en verdediging. 2e dr. Utrecht: Stichting Menno van Coehoorn,
2004.
* Kant, P, P. Staal, R. Schimmel en J. de Zee, De Stelling van Amsterdam;
vestingwerken rond de hoofdstad 1880-1920. Beetsterzwaag, z.j.
* Rolf, R. en H. Sakkers, Duitse bunkers in Nederland. Middelburg
2005.
* Sneep, J. e.a., Vesting, vier eeuwen vestingbouw in Nederland.
’s-Gravenhage, 1982.
*Vesters, P. red., De Stelling van Amsterdam, harnas voor de hoofdstad.
Utrecht 2003.
* Visser, A., De Grebbelinie in vogelvlucht. z.p.: Utrechtse
Fortenstichting, 2003.
* Visser, H.R. en J.S. van Wieringen, Kazematten in het Interbellum.
Amsterdam, 2002.
* Westra, Fr., Nederlandse ingenieurs en de fortificatiewerken in
het eerste tijdperk van de Tachtigjarige Oorlog, 1573-1604. Alphen
aan den Rijn, 1992.
* Will, C., Sterk Water, de Hollandse Waterlinie. Utrecht 2002.
terug naar index
|